In het geval echtgenoten voor 1 januari 2018 in het huwelijk zijn getreden en geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld, geldt tussen hen de algehele gemeenschap van goederen. Dat betekent dat alle bezittingen in geval van een scheiding bij helfte tussen de echtgenoten dienen te worden verdeeld en alle schulden door hen samen – ieder voor de helft – zullen moeten worden gedragen.

Het komt met enige regelmaat voor dat partijen geen duidelijk beeld hebben van de goederen die tot hun huwelijksgoederengemeenschap behoren. Soms blijkt nog sprake te zijn van bankrekeningen die al jaren niet meer gebruikt worden of zijn bijvoorbeeld in het verleden spaar- of beleggingspolissen afgesloten, waar niet meer aan wordt gedacht. Als achteraf blijkt dat de echtgenoten een goed over het hoofd hebben gezien, kan én dient dat goed later alsnog verdeeld worden.

Maar wat als een van de echtgenoten wel degelijk wist van het bestaan van een goed? En dat vervolgens opzettelijk heeft verwegen?

In dat geval is delen niet meer aan de orde. In artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is namelijk bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten verbeurt. Kortom: als straf voor het verzwijgen, verbergen of zoek maken van goederen komt het desbetreffende goed volledig toe aan de ander.

Een dergelijke situatie deed zich onlangs voor bij de rechtbank Midden-Nederland.

In deze procedure hadden partijen afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding en deze vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde een verzekeringspolis bij Generali die niet genoemd was in het convenant. Volgens de vrouw had de man nooit melding gemaakt aan de vrouw van het bestaan van deze polis, had hij de polis afgekocht, een bedrag van Generali ontvangen ter hoogte van € 8.749,47 en dat vervolgens uitgegeven.

De man stelde dat geen sprake was van verzwijgen of verbergen, maar overlegde ook geen nadere informatie. Volgens de man zou sprake zijn geweest van schulden en financiële chaos aan zijn zijde.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw voldoende had onderbouwd dat sprake is geweest van opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van de polis door de man. Volgens de rechtbank waren er verschillende momenten geweest waarop van de man verwacht had mogen worden dat hij melding van het bestaan van de polis had gemaakt aan de vrouw, maar hij heeft – zo kort na het convenant en de echtscheiding – verzocht om afkoop, de afkoop doorgezet, het geld ontvangen en uitgegeven en dit alles stil gehouden. Gevolg is dat de man de gehele afkoopwaarde van deze polis groot € 8.749,47 aan de vrouw moet betalen.

Duidelijk moge zijn dat van ex-echtgenoten wordt verwacht dat zij hun bezittingen gelijk verdelen en dat pogingen om onder die gelijke verdeling uit te komen worden afgestraft. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact met ons op.

Neem direct contact op
About the author