Niet alleen juridisch ouders en verwekkers, maar ook stiefouders kunnen onderhoudsplichtig zijn voor kinderen. Zo kunnen situaties ontstaan waarin er drie of zelfs vier personen onderhoudsplichtig zijn voor een kind. Maar hoe de kosten van de kinderen over al die onderhoudsplichtigen verdeeld moeten worden is helaas niet even duidelijk.

In beginsel geldt dat dat als er sprake is van een onderhoudsverplichting van één of twee ouders (of een verwekker) en een (of twee) stiefouders de onderhoudsverplichtingen van deze personen in beginsel van gelijke rang zijn. De omvang van ieders onderhoudsverplichting hangt dan af van de omstandigheden van het geval. De invulling van deze omstandigheden is vanzelfsprekend zeer casuïstisch. Als belangrijke factoren hebben in het bijzonder te gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind over het algemeen een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, en de draagkracht van de ouders (is die voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien) en de stiefouder (is zijn of haar draagkracht van dien aard dat het – bijvoorbeeld gezien de geringe draagkracht van de ouder die zijn partner is – niet redelijk is die draagkracht niet volledig te benutten).

Hoe wordt voorgaande in de praktijk benaderd?

Een voorbeeld vinden we in een uitspraak van de Rechtbank Noord Holland van 6 november 2019. In deze situatie stelde de vader dat alle onderhoudsplichtigen op basis van hun onderlinge inkomensverhouding moesten bijdragen. De moeder was het daar niet mee eens. De moeder stelde onder meer dat de draagkracht van de stiefvader niet in de berekening betrokken moest worden, omdat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind. In de zaak stond vast dat er al acht jaar geen contact meer was tussen de man en de kinderen, dat de stiefvader pas recent formeel stiefvader van de kinderen was, maar hij al acht jaar samen met de moeder woonde en deel uitmaakte van het leven van de kinderen. De rechtbank volgde de hoofdregel en oordeelde in deze situatie dat het primaat van de ouders niet altijd voorop gesteld dient te worden. Als alle banden tussen een ouder en een kind zijn verbroken en niet te verwachten valt dat daarin binnen afzienbare tijd verandering komt, kan dat de onderhoudsplicht van de juridische ouder – in tegenstelling tot wat de moeder stelde – juist doen verbleken. Dat de wetgever uitgaat van het “normaaltype” dat een ouder-bloedverwant gewoonlijk een nauwere verwantschap met een kind heeft dan een stiefouder, wil immers niet zeggen dat het omgekeerde zich niet kan voordoen.

De vader kreeg gelijk en alle onderhoudsplichtigen dienden op basis van hun onderlinge draagkrachtverhoudingen bij te dragen.
Benieuwd naar de volledige uitspraak? Lees hier.

Meer weten over de stiefouderverplichting of alimentatie? Neem dan gerust contact met ons op.

Neem direct contact op

 

About the author